GRAMMAIRE


  staat bovenaan de pagina


ÉCOUTER



Ga naar tv5.org > langue francaise > apprendre le français (of klik op deze link) 
Klik op de grote bol A2 of B1 (stuk moeilijker). Kies een oefening. 

TV5MONDE is een publieke televisiezender en is 100% Franstalig, maar  ruim 35%
van de programma´s wordt ondertiteld in het Nederlands o.a. iedere maandag en woensdag om 21:00 uur en ieder dinsdag, donderdag en zaterdag om 18:30.
Kijk op Kanaal: Ziggo 71 • KPN 70 • CAIW 41 • Delta 500 • Vodafone 421

Nog meer luistermateriaal vind je op 
* Moodle > Frans luisteren.
* http://www.podcastfrancaisfacile.com
* BFMTV 
* CHANSONS vind je hier: A-H, K-P, Q-Z


PARLER


ÉCRIRE


In de mediatheek zijn de woordenboeken te vinden door linksboven op de knop 'applications' te drukken en dan 'education' te klikken. In het menu staat dan 'Van Dale online woordenboeken'.


LIRE








DIPLOME DELF


STUDEREN
Wat is een profiel? (klik hier)
Wat kun je studeren met een profiel? (klik hier) 
studeren 

NOTES



In periode 1 en 2 (tot aan het 2e rapport) tellen PW 4x
In periode 3 (tot aan het eindrapport) tellen PW 6x



DEVOIRS / PLANNING






werkwoorden leer je uit Grammaire Essentielle p.94.  Leer présent, impératif, participe présent, imparfait, passé composé, futur, futur du passé.     1. aller 2. apercevoir 3. s'asseoir en ook zitten, staan, liggen  4. atteindre 5. avoir 6. battre 7. boire 8. bouillir  ( = koken, op het kookpunt zijn;  l'eau bout = het water kookt ( is 100 graden)  Let op: wij koken een maaltijd = nous préparons un repas / wij koken (maken eten klaar) = nous faisons la cuisine; ik kook het water (breng tot 100 graden)  = je mets l'eau à bouillir  9. conclure 10. conduire 11. connaître 12. coudre 13. courir 14. couvrir 15. craindre 16. croire 17. cueillir 18. devoir 19. dire 20. dormir 21. écrire 22. envoyer 23. être 24. faire 25. falloir 26. fuir 27. interrompre 28. joindre 29. lire 30. mettre 31. mourir 32. naître 33. partir 34. plaire 35. pleuvoir 36. pouvoir 37. prendre 38. résoudre 39. rire 40. savoir 41. sentir 42. servir 43. sortir 44. suffire 45. suivre 46. se taire 47. tenir 48. vaincre 49. valoir 50. venir 51. vivre 52. voir 53. vouloir  
Voor de vervoeging klik je hier .Oefeningen vind je op VERBUGA. 




les 1
- huiswerk: leer voca
- les: gram bespr en mkn en oefenen met ww
les 2
- huiswerk: leer gram en ww
- les: rest

proefwerken
4fa3: 11 okt, 22 nov, 19 dec
4fa4: 18 okt, 29 nov, 19 dec